Het wilde paard vs gedomestiseerde paard.

Het wilde paard dat geen verzorging van de mens nodig heeft, leeft op steen of een rotsachtige ondergrond. Met 'wilde paarden' denken we aan mustang, brumbie, przewalski. Deze paarden leven op open steenachtige vlakten, zoals prairie, toendra of steppe. Ook de shetlandpony, connemara en ijslandse paarden leven van oorsprong op een rotsachtige ondergrond. Door de harde ondergrond slijten de hoeven op een natuurlijke manier af.Hieruit kun je afleiden dat een paard in de vrije natuur zo efficiënt zich voortbeweegt, dat de aangroei en slijtage van de hoeven in balans zijn. Een kreupel paard in de natuur is ten dode opgeschreven.   

Doordat gedomesticeerde paarden bij ons op zachte bodems lopen, zoals zand en gras, blijft de hoefwand doorgroeien en slijt niet af. Hierdoor moet een paardenhoef om de 6 a 8 weken worden bekapt. De hoef heeft een sterk zelfherstellende kracht en door hier gebruik van te maken kan een aantal hoefproblemen opgelost worden zonder hoefbeslag te gebruiken. Te denken valt aan scheuren in de hoefwand, een losse wand en in beperkte mate gevoelige zolen.   



De ideale hoef

De ideale hoef is een compacte hoef met een goed ontwikkelde zool. 

De zool, de hoefwand en de verzenen dragen samen het gewicht. Het meeste gewicht draagt het paard bij de toon en bij de verzenen. De straal fungeert als schokdemper en maakt dus goed contact met de grond. Het hoefbeen steunt binnen in de hoef op het straalkussen. De hoef maakt een uitdijende beweging bij het contact met de grond, het hoefmechanisme.

Dat speelt een belangrijke rol bij de doorbloeding van de hoef.